De driehoek politiek, kapitaal en maatschappij en de drie problemen van de journalistiek

Oorspronkelijke titel: ‘Siyaset, sermaye ve toplum üçgeninde gazeteciliğin üç sorunu’ / versie 18 september 2018. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden.

De driehoek politiek, kapitaal en maatschappij en de drie problemen van de journalistiek

Ali Duran Topuz

 

‘De grote regressie’ – zo noemen denkers de toestand waarin de wereld in de eerste twee decennia van de 21ste eeuw verkeert. Democratiëen slagen er niet in een oplossing te vinden voor de manoevres van populistische demagogen; de rechten en vrijheden van de mens, die zich dankzij eeuwen van strijd hebben kunnen ontwikkelen, brokkelen in rap tempo af; zowel in afzonderlijke landen als mondiaal gezien wordt de inkomensverdeling steeds schever, met miljarden armen aan de ene kant en een klein aantal rijken aan de andere… We kunnen aannemen dat de productie van kennis een eerste vereiste is om deze situatie te corrigeren, maar met de twee pijlers waarop die rust (media en universiteiten) gaat het bergafwaarts, al verschilt het per land op wat voor niveau de neergang zich bevindt. Op de meeste plaatsen is de neergang het gevolg van rechtstreekse druk die op de ‘vrije media’ wordt uitgeoefend, en waar dat niet gebeurt zorgen politieke en economische actoren er met manipulatieve handelingen voor dat de ‘vrije media’ ofwel van hun functies worden ontdaan ofwel zodanig worden veranderd dat ze een rol gaan spelen die het tegendeel is van wat er voor democratie en mensenrechten van de media verwacht wordt.

Het lijkt erop dat de gevolgen van de informatierevolutie de zaak alleen maar erger maken: zoals de combinatie van drukpers en spoorwegen niet alleen heeft bijgedragen aan de democratisering van informatie, maar ook voeding heeft gegeven aan verschillende vormen van racisme, nationalisme en extreem conservatisme, zo brengt de combinatie van silicium en elektriciteit nieuwe soorten discriminatie voort, wakkert het een ongeëvenaarde rancune aan, agressie en ruziezoekerij, en ondertussen tekenen zich aan de horizon niet echt wegen af die ervoor kunnen zorgen dat de media in deze commotie een positieve rol spelen.

Mijn excuses voor deze vervelende inleiding, die ook nog eens geen enkele nieuwe informatie bevat. Ik heb mijn heil in zo’n globale samenvatting gezocht omdat ik, als iemand die werkzaam is in een land waar de problemen van de journalistiek behoorlijk hevig worden gevoeld, mijn situatie niet wil afschilderen als een individueel geval maar gemeenschappelijke punten hoop te vinden waarover gepraat kan worden. Ik wil drie vragen stellen – drie vragen waar mensen die het vak naar behoren willen beoefenen en academici die zich met het vak bezighouden, een antwoord op proberen te vinden, en die naar ik hoop ook ons gesprek verder kunnen brengen.

Hoe kan er in de media meer ruimte worden gegeven aan mensen die het slachtoffer zijn van discriminatie, rancune en agressie maar van wie de stem niet wordt gehoord?

Is het voor een oplossing van de problemen effectiever om plaats te nemen in de zogenoemde mainstream media, of is het beter om energie te steken in alternatieve organen?

Hebben journalistieke methodes die gebaseerd zijn op research en onderzoek nog wel geldigheid ten overstaan van allerlei populistische tactieken met hun agressieve strategieën waarin waarheid en leugen, goed en fout razendsnel van plaats wisselen?

De eerste vraag bergt in feite een paradox in zich: als de sfeer van discriminatie, rancune en agressie op een dusdanige manier tot stand is gekomen dat die de stem van degenen die er het slachtoffer van zijn tegelijkertijd versluiert, dan kan het niet anders of ook het domein van de media heeft zich zo gevormd dat het voeding geeft aan die sfeer en door die sfeer gevoed wordt. In dat geval is het niet erg realistisch om te denken dat je verder kunt komen zonder de strijd aan te binden met de krachten die het gebied beheersen. In Turkije bijvoorbeeld is het inmiddels onmogelijk geworden om dit in de mainstream media te doen. De tweede vraag wordt precies door deze ingeperkte situatie opgeroepen: is het mogelijk om vanuit de gegeven (en problematische) ‘mainstream’ een manier te vinden, of moeten er alternatieve gebieden worden gecreëerd? Tot ongeveer vijf jaar geleden had je in Turkije correspondenten, redacteuren en schrijvers die vanuit de mainstream werkelijk goed werk leverden, maar over de situatie op dit moment kunnen we kort zijn: er zit niets anders op dan te proberen alternatieve gebieden te creëren. We zijn nu namelijk op een punt beland dat de media in handen komen van de regerende partij. Het probleem is niet dat de media door middel van druk een bepaalde richting in worden geduwd, maar dat er een mediamonopolie tot stand is gebracht dat rechtstreeks door de regerende partij wordt gefinancierd en bestuurd. Het is niets bijzonders meer om tien kranten te zien met allemaal precies dezelfde kop. Verder moeten we wijzen op een kwestie waarvan ook in landen buiten Turkije sprake kan zijn: problemen die door de conventionele media zijn veroorzaakt, zijn in feite veroorzaakt door het kapitaal achter die media, en zolang we geen manieren vinden om daarvan weg te komen, kunnen we maar beter niet al te optimistisch zijn.

De eerste twee vragen brengen ons rechtstreeks bij de relatie tussen media-kapitaal-politiek enerzijds en de maatschappij anderzijds. De derde vraag daarentegen is technischer en heeft meer met het vak te maken. Maar voordat we ons over die derde vraag buigen, wil ik aan de hand van de situatie in Turkije nog een paar dingen zeggen: hoe sterk zijn de banden met beroepsorganisaties, vakbonden en andere organisaties voor onderlinge hulp en solidariteit, met instellingen die tot doel hebben de professionele belangen en vaardigheden te beschermen en uit te bouwen, en met bevriende organisaties – dat is het allerbelangrijkst. Zolang er niet gezorgd wordt voor paraplu’s die redactionele onafhankelijkheid beschermen tegen politiek en kapitaal is het een verloren zaak, wat uw antwoord op de bovenstaande vragen ook is. Dat hebben we in Turkije op bittere wijze ervaren. Het heeft ertoe geleid dat journalistiek in het land inmiddels gelijkgesteld wordt met een activisme van mensen die het recht op informatie en de vrijheid van gedachte verdedigen en er rekening mee houden daarvoor in de gevangenis te belanden. Als u hier in Nederland vakbondsachtige en andere beroepsorganisaties hebt die belang hechten aan de redactionele onafhankelijkheid, dan zal een versterking van hun macht ervoor zorgen dat het vak langer beoefend kan worden, het zal meer tijd geven om op zoek te gaan naar toepasbare antwoorden. Het wekt misschien verbazing, maar ik ben van mening dat Turkije niet gezien moet worden als een voorbeeld van het verleden maar als een voorbeeld dat de toekomst representeert.

Mijn antwoord op de derde vraag is eenduidiger: ja, methodes die gebaseerd zijn op research en onderzoek zijn nog steeds geldig, en nodig bovendien. Alleen, willen die methodes effectief zijn, dan moet niet iedere instelling afzonderlijk er energie in steken, zoals dat vroeger het geval was. Het is voor ons noodzakelijk dat er op andere manieren geconcurreerd wordt, dat de manieren om samen te werken verstevigd worden. En het is van levensbelang dat er meer gewerkt wordt aan het ontwikkelen van samenwerking met instellingen in het land waar men werkzaam is als ook met internationale instellingen.

Ik denk dat deze vragen ons alle drie bij hetzelfde punt brengen, een punt dat in Turkije heel duidelijk zichtbaar is: om te kunnen werken en daarbij de basisprincipes van de journalistiek te beschermen, om het hoofd te kunnen bieden aan de problemen die nieuwe technologieën hebben gecreëerd, hebben we behoefte aan sterkere relaties en organisatievormen die de conventionele opvattingen overstijgen.

 

facebook instagram twitter